Het natuurpark Gerhagen

 

samenstelling: Willy Vanwesemael
 
Ligging van Gerhagen

 

Het domein Gerhagen situeert zich in het gehucht Schoot-Tessenderlo. Schoot is één van de vijf gehuchten (kerkdorpen) van Tessenderlo. De gemeente Tessenderlo bevindt zich helemaal in het westen, in de neus van de provincie Limburg. Eigenlijk ligt Tessenderlo geborgen tussen de provincie Antwerpen in het noorden en de provincie Vlaams-Brabant in het zuiden. Tessenderlo heeft een oppervlakte van 51,4 km² en telt meer dan 17.000 inwoners. Ten oosten van het centrum bevindt zich een grote industriezone en ten westen van de gemeente ligt er een “groene long”, Gerhagen genaamd, die een oppervlakte heeft van 945 hectare, en zich verder uitstrekt in de naburige gemeenten.
 

In het zuiden van Gerhagen ligt de Stad Diest op ongeveer 8 km, in het westen situeert zich Averbode op 5 km en het natuurreservaat “Averbode Heide” dat eigendom is van Natuurpunt. Averbode Heide, dat zich eveneens bevindt op het grondgebied van Tessenderlo, is gescheiden van Gerhagen door de Turnhoutsebaan. In het noorden ligt Geel op 12 km afstand. Het centrum van Tessenderlo ten slotte bevindt zich op ongeveer 4 km van het hart van Gerhagen, de Zandberg met zijn VVV-toren.

 
(Groot) Gerhagen bestaat uit enkele deelgebieden die samen het natuurdomein vormen:

 

Houterenberg: grotendeels gelegen op het grondgebied van Engsbergen. Het ligt in het zuidoosten van het gebied en grenst in het zuiden aan de dorpskern Engsbergen, een gehucht van Tessenderlo en ten oosten aan de Sparrenweg.

Heuvelken: een klein deelgebied gelegen ten zuidwesten, tussen de Houterenberg en de Achterheide.

Achterheide: gelegen in het zuidwesten van het gebied en grenzend aan Okselaar, een gehucht van Zichem dat nu een deelgemeente is van Scherpenheuvel-Zichem.

Schoterheide: deelgebied in het noordwesten van Gerhagen en grenzend aan Veerle, een deelgemeente van Laakdal.

Gerhees: situeert zich ten noordoosten en grenst ten noorden aan de dorpskern van Schoot en ten oosten aan de Sparrenweg.

Gerhagen: bijna centraal gelegen in het domein.

 


kaart gerhagen

Korte beschrijving van Gerhagen
 
Het domein Gerhagen is sinds februari 2010 afgebakend als “stiltegebied”. Het ganse grondgebied is hoofdzakelijk eigendom van de Gemeente Tessenderlo, de Provincie, het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (beheerd door het ANB), maar ook van tal van particulieren.
Meer dan de helft van Gerhagen is bebost. Het grootste gedeelte bestaat uit Grove den en Corsicaanse den, een ondersoort van de Zwarte den. Het oudste huidige bos met uitsluitend Grove dennen dateert uit 1915. Op een paar plaatsen vinden we ook nog enkele Zeedennen, zoals o.a. op de Zandberg in de buurt van de VVV-toren.
Dankzij een gewijzigd bosbeheer wordt er meer aandacht besteed aan het loofhout. Op verscheidene plaatsen begint dat loofhout zich dan ook te manifesteren. Bovendien is aan de rand van het broedgebied Pinnekenswijer een prachtig gemengd bos gecreëerd, dat vooral uit Eiken, Berken en Grove dennen bestaat.
In het lager gelegen gedeelte en in de omgeving van het beekje “de Gerhagenloop” komen, omwille van een wat rijkere bodem, weiden en akkers voor.
 
Centraal ligt het ± 32 ha grootte Vlaamse natuurreservaat de “Pinnekensweier”. De Pinnekensweier bezit twee vennen: het “grote ven” en het “kleine ven”. Ze worden enkel gevoed door regenwater. Het waterpeil is daarom sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Deze hangvennen zijn zuurstofarm en nogal zuur, omwille van het stilstaande water en de ondoordringbare bodem.
Ten zuiden ligt het ± 210 ha grootte Vlaamse natuurreservaat de “Houterenberg”. Dat gebied bestaat vooral uit bossen en heide
met stuifzanden.
 
Gerhagen is grotendeels opengesteld voor zachte recreatie, zoals wandelen, joggen, fietsen en paardrijden. In de nabijheid zijn verscheidene horecazaken. Er zijn bovendien enkele voorzieningen getroffen voor kinderen, zoals een speeltuintje op de Zandberg en enkele speelbossen.
Het Bosmuseum staat in de buurt van de 18,75 meter hoge VVV-Toren, waar men een prachtig uitzicht heeft op het hele gebied. In het museum, dat uitgebouwd is tot een belangrijk educatief centrum, wordt een permanente tentoonstelling gehouden over vogels, genoemd “van ei tot ei”. Tevens vindt men er alle mogelijke informatie over de natuur in al zijn facetten.
Niet ver daarvan ligt de gemeentelijke visvijver, met in de nabijheid het Jagershuis dat dienst doet als jeugdkampeercentrum.
 
De laatste jaren neemt de bezoekersdruk in Gerhagen enorm toe. De mensen zoeken meer de natuur op omwille van de rust, ontspanning en beleving. En terecht. Wel dienen de bevoegde instanties er over te waken dat het domein niet overspoeld wordt met bezoekers en recreanten. Oververzadiging schaadt immers de natuur, maar ook het domein in al zijn andere waarden.


Beheerswerken
 
Sinds enkele jaren worden er intensieve beheerswerken uitgevoerd in het gebied door het ANB. Vooral zijn heel wat dennenbomen (vooral Corsicaanse Den) geveld, samen met de overwoekerende en schadelijke Amerikaanse Eik en Amerikaanse Vogelkers. In bijna gans het domein worden dunningswerken uitgevoerd. Ook nu worden vooral Corsicaanse Dennen, Amerikaanse Eiken en Amerikaanse Vogelkersen verwijderd (genoemde soorten zijn allen uitheems). In het natuurreservaat de Pinnekenswijer zijn eveneens heel wat bomen geveld en is een zeer grote oppervlakte machinaal geplagd. Op de Houterenberg is de open heidevlakte grotendeels hersteld omwille van het kapwerk. 
De reden van deze werken is het herstel bespoedigen van het zo zeldzaam geworden heidegebied. Immers, heideterreinen zijn halfnatuurlijke landschappen die niet kunnen gedijen zonder het ingrijpen van de mens. De laatste jaren was het heidegebied bijna helemaal verbost en diende men de natuur hoognodig een handje te helpen voor herstel.

Enkele opvallende resultaten sedert het begin van de beheerswerken:

Positief

* De Nachtzwaluw is terug als broedvogel.
* De Boomleeuwerik is terug als broedvogel.
* De Klapekster overwintert soms opnieuw in het gebied.
* Moeraswolfsklauw is terug aanwezig.
* Aanzienlijke toename van Kleine- en Ronde zonnedauw.
* Aanzienlijke toename van Bruine- en Witte snavelbies.


Negatief

* Het tijdelijke ongemak voor de recreanten.
* Het deels verdwijnen van o.a. enkele plaatselijke “zeldzame of bijzondere” plantenconcentraties,

   te wijten aan onvoldoende communicatie.


Besluit: dankzij deze beheerswerken verwachten we op korte termijn een algemene verrijking van de biodiversiteit in het gebied.

 

Korte Historiek van Gerhagen

Om de historiek van Gerhagen te begrijpen is het van belang eerst de naam zelf te ontleden (etymologisch), alvorens 10.000 jaar terug te gaan in de tijd.
In de Middeleeuwen zouden ongure figuren elkaar opzoeken op de grens van het prinsbisdom Luik en de Zuidelijke Nederlanden. Omdat het een verlaten gebied betrof van heide, vennen en bossen konden dergelijke types gemakkelijk een schuilplaats vinden en ongestoord hun gang gaan. Men sprak dan ook over “de gene of gindse bossen” (Generhagen).
 
Nu ligt Gerhagen, zoals beschreven in de plaatsbepaling, op het grondgebied van het gehucht Schoot-Tessenderlo. De naam Schoot komt hoogstwaarschijnlijk van het Germaanse woord “scauta”, wat zoveel betekent als: “beboste hoek zandgrond, uitspringend in moerassig gebied”.
Een andere versie zoekt de oorsprong in het woord “scoete” oftewel “schutten”. Een schut wil zeggen dat er op een dergelijke plaats een afgeperkte ruimte was die dienst deed als onderdak en bescherming voor schapen en ander rondzwervend vee (vandaar het woord schutplaats).
Ruwweg 10.000 jaar geleden, na de laatste ijstijd, ontstond er door opwarming eerst een toendravegetatie en later een uitgestrekt woud. Eiken en berken tierden welig dankzij de droge zandgronden. Echter, na verloop van tijd, greep de mens in en begon men het bos te rooien. Dat had vooral een economisch belang: houtwinning en aanleg van landerijen (akkers, velden en weilanden).

Het grootste deel van Gerhagen bleek door zijn dikke zandbodem weinig geschikt voor de landbouw. Op deze arme ontgonnen gronden ontstond zo een enorme heide- en struikvlakte met een aantal grote vennen en vijvers.
Hoewel weinig geschikt voor de landbouw, zijn deze heidevlakten jarenlang van zeer grote waarde geweest voor de plaatselijke bevolking. Ze werden o.a. gebruikt als graasplaats voor schapen en ander vee, om er strooisel en plaggen te halen voor de potstallen (waarna deze mest gebruikt werd voor de akkers), als voorraadschuur van brandstof (zoals hout en turfplaggen) en voor nog allerlei andere zaken (honingwinning, bezems, etc).
Met de opkomst van de kunstmest en de invoer van goedkope Australisch wol verliest het heidegebied stilaan echter aan belang. Meer en meer wordt het gebied verwaarloosd. Daarbij kwam er rond 1847 nog een wet over het belasten van woeste onproductieve gronden. Stilaan werd het gebied bebost. Uit een Ferrariskaart van 1771 blijkt dan ook dat Gerhagen zeer sterk bebost was. Bovendien was er een haast hallucinante vraag naar mijnhout vanuit het Roergebied, Wallonië en de Kempen.
Op te merken valt ten slotte dat de geschiedenis van Gerhagen kenmerkend is voor de hele Kempen.
 

Geologie en geomorfologie
 
Geologisch en geomorfologisch moeten we meer dan 10.000 jaar terugreizen, meer bepaald zes tot zeven miljoen jaar. Aan het einde van het Mioceen (onderverdeling van het geologisch tijdperk Tertiair) ontstond toen het zogenaamde reliëf van het Hageland. Wat volgt is uiteraard geen gedetailleerde beschrijving. Dat valt immers buiten het bestek van dit werk.
 
IjzerzandsteenDe Diestiaan-transgressie plaatste zich in die tijd en betekende de laatste zee-overspoeling van Belgisch grondgebied. De resulterende kustlijn reikte zowat tot de lijn Tienen-Hasselt, waarbij parallel met de kustlijn een aantal zandbanken werden afgezet.
De daaropvolgende regressie gebeurde zeer geleidelijk, met als gevolg dat de zandbankstructuur behouden bleef. Het steeds verder dalen van de (grond)waterspiegel zorgde voor een geleidelijke blootstelling aan luchtzuurstof van de toppen van de Diestiaan-afzettingen in de zandbanken (rijk aan glauconiet-houdend zand). Die mengeling deed het ijzerrijke glauconiet oxideren tot een roestkleurig limoniet, waardoor erosiebestendig ijzerstandsteen ontstond.
 
Professor Frans GULLENTOPS beweert echter dat het ontstaan van het ijzerzandsteen zich laat verklaren door het opdrogen van de Middellandse zee 5,4 miljoen jaar geleden. De Middellandse Zee stroomde als het ware opnieuw vol door bewegingen in de aardkorst, die een breuk deden ontstaan in de landtong tussen Marokko en Gibraltar.
In onze contreien sorteerde dat een omgekeerd effect, namelijk een terugtrekking van de Diestiaan-zee die tot in het Hageland en in een deel van de Kempen kwam. Die terugtrekking zorgde ervoor dat de zandbanken in contact kwamen met de lucht. Het hoge glauconiet-gehalte van het zand van de Diestiaan-zee bestond voor een groot deel uit ijzer en oxideerde door dat contact met de lucht. De zandkorrels klitten samen en zo ontstond uiteindelijk ijzerzandsteen.
Wat er ook van zij, die omzetting ging – uiteraard – niet plaatsvinden in de lagergelegen stroken, omdat daar het hoge grondwaterpeil oxidatie tegenging. Beken en rivieren konden bijgevolg de dalen verder uitslijten, zodat de erosiebestendige zandsteenkoppen zich steeds hoger boven de tussenliggende depressie konden verheffen. Deze zandsteenkoppen werden lokaal geërodeerd tot zandige zware verweringsklei.

In het Quartair (Kwartair) tijdvak, meer bepaald in het Pleistoceen, werden deze Tertiaire afzettingen grotendeels bedekt met lemig zand, licht zandleem of zandleem. Afzettingen die op hun beurt weer door erosie werden aangetast. Het geërodeerde materiaal kwam vervolgens als sediment terecht in de valleien.
In de nabijheid van de relatief hoog gelegen Tertiaire zandsteenopduikingen is waarschijnlijk al het Pleistoceen materiaal weggeërodeerd. Tertiair verweringsmateriaal – zandige klei of steenhoudend grof zand – kwam tijdens het Holoceen (volgend op het Pleistoceen) via verstuiving en/of colluviatie (afzetting van het bodemmateriaal in de lagere delen) terecht in de onmiddellijke omgeving. Daarnaast was verstuiving van glauconietarm zand uit noordelijke valleien vrij algemeen, waardoor grote oppervlakten werden bedekt met stuifzand. Ontbossingen in meer recente tijden gaven uiteindelijk aanleiding tot de vorming van de huidige landduinen van Tessenderlo en Molenstede met een golvend of afgeplat reliëf en meestal excessieve drainering.


Geraadpleegde literatuur

AEOLUS, Beheersplan voor het Vlaams natuurreservaat Houterenberg-Pinnekenswijer, 2001
Regionaal Landschap NOORD-HAGELAND vzw, Groeves met een ijzer-sterk verhaal, 2007
Adjudant S. VANOOTEGHEM, Studie van het natuurpark Gerhagen
Willy VANWESEMAEL, Natuurgebied Gerhagen Tessenderlo, 2002
Willy VANWESEMAEL, Rapport inventarisatie Gerhagen, 2005

We hebben 39 gasten en geen leden online